We bouwen vandaag alsof elk gebouw permanent op volle capaciteit draait. Alsof alle bewoners tegelijk thuis zijn en alle installaties daardoor op hetzelfde moment maximaal moeten presteren. Dat moet anders, want de werkelijkheid is veel genuanceerder. Wat daarbij kan helpen is dat we de realisatie van een gebouw niet langer zien als een optelsom van aparte disciplines, maar een integrale visie en aanpak hanteren, waarin ook het tijdsaspect is opgenomen.
Neem kustappartementen. Een groot deel daarvan staat op jaarbasis gemiddeld tot 90% van het jaar leeg. Toch ontwerpen we verwarmingssystemen, elektriciteitsvoorzieningen en laadinfrastructuur vaak alsof elk appartement permanent gebruikt wordt. Hetzelfde verhaal bij parkeergebouwen: sommige ontwikkelaars voorzien vandaag honderd laadpunten voor honderd parkeerplaatsen, terwijl slechts een beperkt deel van het wagenpark elektrisch is én die plaatsen gemiddeld 75% van de tijd leegstaan.
De bouwsector heeft zichzelf jarenlang aangeleerd om op pieken te ontwerpen. Dat voelde veilig. Maar vandaag botsen we steeds harder op de grenzen daarvan: energie wordt duurder, grondstoffen schaarser en technische installaties complexer. Dan moeten we durven nadenken over de vraag of meer automatisch ook beter betekent. Voor mij ligt daar een van de belangrijkste opdrachten voor de komende jaren.
Wat het probleem mee in de hand werkt: we bekijken gebouwen nog te vaak als een optelsom van aparte disciplines. Architectuur, technieken, financiën, exploitatie: iedereen werkt binnen zijn eigen kader. Maar een gebouw functioneert niet in silo’s. Alles beïnvloedt elkaar. Een beslissing over ventilatie heeft impact op energieverbruik. Mobiliteit beïnvloedt elektrische infrastructuur. Materiaalkeuzes bepalen onderhoudskosten op lange termijn.
Daarom geloof ik sterk in een integrale aanpak, gebaseerd op drie elementen: cultuur, geld en materie.
Cultuur gaat over samenwerking. Over de bereidheid om over de grenzen van de eigen discipline te kijken, ook financieel en contractueel en ook met de blik op de langere termijn. In Nederland zie je vaker dat één partij expliciet verantwoordelijkheid krijgt voor die integrale samenhang. In België blijven projecten nog te vaak versnipperd. Iedereen optimaliseert zijn eigen stukje, maar niemand bewaakt het geheel. Ook de architect heeft maar een beperkte opdracht en is daar helemaal niet voor opgeleid.
Geld gaat in tegenstelling tot wat ik nog vaak zie veel verder dan de initiële investering. Een goedkoop systeem dat veel energie verbruikt of moeilijk aanpasbaar blijkt, kan op termijn een dure keuze worden. We zouden gebouwen daarom inclusief hun financiering en fiscaliteit veel meer moeten bekijken vanuit hun volledige levenscyclus
En dan is er materie; de fysieke realiteit van materialen, technieken en grondstoffen. De bouwsector heeft een enorme ecologische impact. Dat betekent dat we bouwpartners zich bij elk project opnieuw samen moeten afvragen wat écht nodig is. Niet theoretisch, maar concreet.
De toekomst van gebouwtechnieken draait volgens mij daarom minder rond méér technologie, en meer rond betere afstemming. Dat zal leiden tot meer inzicht in werkelijk gebruik, minder overdimensionering, lagere investeringskosten en minder verspilling.
Eigenlijk vraagt dat geen revolutie, maar gewoon gezond verstand en de inspanning om elkaar op te zoeken voor samenwerking.