Brandveiligheid draait niet uitsluitend om evacuatiewegen, de brandweerstand van structurele elementen en actieve brandbestrijdingsmiddelen. In moderne gebouwen schuilt een van de grootste risico’s vaak in iets veel banalers: de tientallen – soms honderden – doorvoeringen van leidingen, kabels en luchtkanalen door brandwerende wanden en vloeren. Precies daarom bracht Buildwise in 2024 de Technische Voorlichting 293 (TV 293) uit. Die publicatie bundelt niet alleen praktische richtlijnen voor het brandveilig afdichten van doorvoeringen in brandwerende wanden en vloeren, maar maakt ook duidelijk waarom dat onderwerp veel meer aandacht verdient dan het vandaag krijgt.
Compartimentering vormt nog altijd een van de belangrijkste principes binnen brandveilig bouwen. Het idee is eenvoudig: een gebouw opdelen in afzonderlijke compartimenten zodat vuur, rook en hitte zich niet ongecontroleerd kunnen verspreiden. Alleen staat of valt die compartimentering met de kleinste details. Een wand met een brandwerendheid van zestig minuten behoudt haar functie immers slechts zolang elke doorvoering in die wand dezelfde prestaties levert. Zodra een installateur een opening maakt voor een kabelbundel, ventilatiekanaal of afvoerleiding, ontstaat potentieel een zwakke schakel; indien die opening niet correct wordt afgedicht, verliezen brandcompartimenten hun functie en kan een brand zich razendsnel uitbreiden naar aangrenzende zones.

Dat risico groeit bovendien mee met de toenemende technische complexiteit van gebouwen. Warmtepompen, ventilatiesystemen, laadinfrastructuur, datanetwerken, sprinklerinstallaties en rookgasafvoer zorgen ervoor dat hedendaagse gebouwen veel meer technische doorvoeringen bevatten dan vroeger. Waar men vroeger vaak werkte met beperkte technische schachten, kruisen vandaag verschillende technieken elkaar doorheen dezelfde wanden en vloeren. Vooral bij renovaties leidt dat geregeld tot een wirwar van bijkomende openingen, tijdelijke oplossingen en improvisaties op de werf.
Meer technieken betekenen automatisch ook meer betrokken partijen. Daardoor worden brandveilige doorvoeringen in veel projecten een versnipperde verantwoordelijkheid: architecten tekenen compartimenteringen uit, studiebureaus dimensioneren technieken, aannemers realiseren de ruwbouw, installateurs voeren de doorvoeringen uit en vervolgens komt vaak nog een gespecialiseerde firma tussen voor de brandwerende afdichtingen. In theorie lijkt die taakverdeling logisch, maar in de praktijk ontstaan daardoor vaak grijze zones. Wie controleert bijvoorbeeld tijdens de uitvoering of een bijkomende kabeldoorvoer correct werd afgedicht? Wie ziet erop toe dat een installateur geen standaard PU-schuim gebruikt op een plaats waar een specifieke brandwerende voorziening vereist is? En wie documenteert uiteindelijk welke oplossing exact geplaatst werd?
Volgens de TV 293 leiden die grijze zones vaak tot fouten, discussies op de werf en dure herstelwerken achteraf. Bovendien blijven veel problemen lange tijd onzichtbaar. Een foutief afgedichte doorvoering valt meestal niet op tijdens de uitvoering. Vaak komt het probleem pas aan het licht bij een audit, een opleveringscontrole of – in het slechtste geval – tijdens een brandincident. In §9 van de TV 293 geeft Buildwise verschillende voorbeelden van fouten die in de praktijk nog vaak voorkomen. Zo worden brandwerende producten geregeld toegepast buiten hun gecertificeerde toepassingsgebied, bijvoorbeeld wanneer schuimen gebruikt worden voor doorvoeringen waarvoor ze nooit getest werden. Ook onzorgvuldig opgevulde openingen, verkeerd geplaatste brandkleppen of extra kabels die achteraf worden toegevoegd zonder aanpassing van de brandwerende afdichting blijven volgens Buildwise veelvoorkomende problemen.

Dat zulke fouten hardnekkig terugkeren, hoeft eigenlijk niet te verbazen. Het brandwerend afdichten van doorvoeringen blijkt in de praktijk namelijk veel complexer dan vaak wordt aangenomen. Er bestaat dan ook niet zoiets als een Zwitsers zakmes, één universele oplossing die overal toepasbaar is. En dat probeert de TV 293 duidelijk te maken. Ze benadrukt dat de prestaties van een doorvoering telkens afhangen van een combinatie van factoren: het type wand of vloer, het materiaal van de leiding, de diameter van de opening, de aanwezigheid van isolatie en het gekozen afdichtingssysteem. Een oplossing die perfect functioneert in een massieve betonwand, levert daarom niet noodzakelijk dezelfde prestaties in een lichte scheidingswand of houtconstructie.
Er bestaan veel verschillende manieren om doorvoeringen brandwerend af te dichten: manchetten, isolatieschalen, brandwerende kitten en schuimen, brandkleppen, coatings of brandwerende kussens … Opvallend is wel dat Buildwise expliciet waarschuwt voor verkeerd productgebruik. Dat een product dat als brandwerend gecommercialiseerd wordt, betekent immers niet automatisch dat het geschikt is voor elke toepassing. Zeker bij schuimen en kitten loopt het op de werf nog geregeld mis. De prestaties van brandwerende doorvoeringen worden vandaag geclassificeerd volgens Europese normen uit de NBN EN 13501-reeks. Daarbij spelen vooral twee criteria een sleutelrol: vlamdichtheid en thermische isolatie. Anders gezegd: een doorvoering moet niet alleen verhinderen dat vuur en hete gassen zich verspreiden, maar ook vermijden dat de temperatuur aan de andere zijde te snel stijgt. In België bepaalt het Koninklijk Besluit Basisnormen dat een doorvoering in vrijwel alle gevallen minstens dezelfde brandweerstand moet behalen als het bouwelement waarin ze zich bevindt.
Toch blijkt het in de praktijk niet altijd eenvoudig om voor elke situatie een perfect passende oplossing te vinden. Zeker bij complexe renovaties of grote technische bundels botsen ontwerpers geregeld op beperkingen. Daardoor groeit het belang van correcte productdocumentatie en testrapporten. Fabrikanten leveren vandaag steeds specifiekere toepassingsvoorwaarden aan, en afwijkingen daarvan kunnen de volledige classificatie onderuit halen.
Brandveiligheid stopt bovendien niet bij de oplevering. Latere aanpassingen aan technieken – van extra databekabeling tot bijkomende HVAC-sturingen of laadpunten – creëren telkens opnieuw potentiële verzwakkingen in de compartimentering. De TV 293 benadrukt daarom het belang van een correcte opvolging tijdens de volledige levenscyclus van een gebouw. Brandkleppen moeten periodiek getest worden om hun goede werking te garanderen, terwijl ook andere afdichtingen gecontroleerd moeten worden op beschadigingen, slijtage of latere aanpassingen aan technische installaties. Daarnaast vormen duidelijke taakverdelingen, strikte naleving van plaatsingsvoorschriften, opleiding op de werf en een degelijke documentatie in het postinterventiedossier cruciale aandachtspunten. Vooral dat laatste blijkt essentieel. Zonder correcte documentatie wordt het jaren later quasi onmogelijk om nog te achterhalen welke oplossing zich achter een afgewerkte wand bevindt en of latere aanpassingen de compartimentering hebben aangetast.
Dat is wellicht de belangrijkste boodschap van de TV 293: brandveilige doorvoeringen mogen geen detail zijn dat men pas op het einde van een project “even oplost”. Integendeel: in een bouwsector waar technieken steeds dominanter worden, evolueren brandwerende doorvoeringen stilaan van een technische niche naar een volwaardige veiligheidsdiscipline. En precies daarom is de TV 293 uit 2024 relevanter dan ooit. Door ze te volgen, kunnen bouwprofessionals bijdragen aan brandveiligere gebouwen.