Ventilatie geldt vandaag als evident in de bouwsector. Ze zit vervat in regelgeving, wordt standaard doorgerekend in EPB en het aanbod aan systemen blijft groeien. Toch betekent dat niet automatisch dat elk ventilatiesysteem ook functioneert zoals bedoeld. Niet structureel, wel vaak genoeg om alert te blijven. Waar loopt het in de praktijk soms mis?
Een eerste aandachtspunt ligt bij het ontwerp. Dat vertrekt idealiter vanuit het gebouw en de manier waarop het gebruikt wordt. Echter, in de praktijk ligt de keuze voor een bepaald ventilatiesysteem soms al vast nog vóór het ventilatieontwerp echt uitgewerkt wordt. Dat hoeft geen probleem te zijn, zolang alles correct wordt vertaald naar de concrete uitwerking. Maar net daar sluipen soms onnauwkeurigheden in: een traject dat net iets minder logisch is, een toestel dat niet afgestemd is op de gevraagde luchtdebieten …
Zelfs als het systeem globaal juist gedimensioneerd is, blijft een goede verdeling van de lucht niet vanzelfsprekend. Lucht volgt nu eenmaal de weg van de minste weerstand: kleine verschillen in kanaallengte, bochten of plaatsingsfouten verstoren de luchtverdeling. Een nauwkeurige inregeling en het gebruik van componenten die de debieten actief in balans houden, zijn daarom een tweede aandachtspunt om een goede luchtverdeling te waarborgen. In de praktijk komt het echter voor dat een inregeling oppervlakkig gebeurt – er wordt bijvoorbeeld enkel op de hoofdkanalen gefocust – of zelfs helemaal niet. En de genoemde optimaliserende componenten worden ook zeker niet altijd en overal geplaatst. Partijen zoals AirX (zie een ander artikel in dit nummer, red.) proberen daar expliciet iets aan te doen.
Op gebouwniveau vertaalt een foutief gedimensioneerd of een correct gedimensioneerd maar slecht ingeregeld ventilatiesysteem zich in structurele onder- en overventilatie. Opvallend is dat beide situaties – te weinig en te veel ventileren – soms in een en hetzelfde gebouw voorkomen. Globaal lijkt het systeem in dat geval correct te functioneren, maar lokaal ontstaan verschillen. In bepaalde ruimtes blijft het benauwd, terwijl elders continu te veel lucht circuleert.

Is er sprake van onderventilatie, waarbij het volledige gebouw dus structureel te weinig verse lucht krijgt, ontstaat een binnenklimaat dat op termijn problematisch wordt. Ten eerste stapelt vocht zich dan op met schimmelvorming als gevolg. In woningen blijft dat soms beperkt tot geurhinder, maar zeker in grotere gebouwen kan het echt leiden tot reële schade. Ten tweede lopen dan ook de CO2-concentraties op, wat zich vertaalt in een verminderde luchtkwaliteit en comfortklachten.
Overventilatie is minder zichtbaar, maar daarom geen kleiner probleem. Wanneer een systeem continu meer lucht verplaatst dan nodig, stijgt het energieverbruik zonder dat daar een comfortwinst tegenover staat. Warmte wordt afgevoerd, ventilatoren draaien harder dan nodig en het rendement van het systeem daalt. In tijden waarin energieprestaties steeds scherper worden opgevolgd, is dat geen detail. Het ondermijnt rechtstreeks de beoogde efficiëntie van een gebouw.
In beide gevallen – onderventilatie en overventilatie – is er waarschijnlijk ook sprake van akoestische klachten. Een ventilatiesysteem dat niet correct geplaatst of ingeregeld is, laat zich horen: ventilatoren die brommen, luchtstromen die beginnen te suizen of roosters die fluiten … Vaak zorgen die geluiden ervoor dat de gebruikers het debiet verlagen of het systeem volledig uitschakelen, wat de problemen natuurlijk alleen maar vergroot.

Vochtproblemen, schimmelvorming, geluidsoverlast of een tegenvallende energieprestatie leiden al snel tot de vraag waar het misgelopen is. Lag het aan het ontwerp? Aan de uitvoering? Of aan het gebruik? Er ontstaat met andere woorden discussie over wie nu juist moet opdraaien voor het slecht functioneren van het ventilatiesysteem. In de praktijk blijkt dat het aanduiden van een verantwoordelijke vaak moeilijk is. Het slecht functioneren is immers dikwijls te wijten aan een samenspel van keuzes en handelingen verspreid over verschillende partijen. Een ontwerp dat net niet optimaal is, een uitvoering die kleine afwijkingen bevat, een inregeling die onvoldoende diepgaand gebeurt of een gebruiker die het systeem anders gebruikt dan voorzien: elk van die elementen op zich lijkt beperkt, maar samen bepalen ze wel het eindresultaat. Precies omdat ventilatie zo afhankelijk is van die keten, ontstaat er in geval van problemen zelden een eenduidig antwoord. Dat maakt het onderwerp niet alleen technisch, maar ook contractueel en juridisch relevanter dan vaak wordt aangenomen.

Laat ons evenwel ook benadrukken: ventilatie werkt in de meeste gebouwen zonder noemenswaardige problemen. Die nuancering is zeker op haar plaats. Alleen mag ons dat dus niet doen vergeten hoe gevoelig ventilatie is voor kleine afwijkingen. Wat op papier klopt, vertaalt zich in de praktijk alleen naar goede prestaties wanneer ontwerp, plaatsing, inregeling en gebruik op elkaar afgestemd zijn. Het draait dus niet enkel om performante technologie, maar om de mate waarin alle schakels in de keten effectief op elkaar aansluiten.