Op het moment van schrijven zitten we opnieuw midden in een energiecrisis. Dat de focus in de installatiesector almaar meer verschuift naar elektrificatie, met warmtepompen en PV-panelen als speerpunten, is dan ook alleen maar toe te juichen. Elektrificatie vormt voor mij de logische basis. Zonder afscheid van fossiele brandstoffen blijven we afhankelijk van geopolitieke grillen. Maar daar wil ik het niet over hebben. Wat ik wél eens wil aankaarten, is de milieu-impact van de gebouwinstallaties zelf – niet van hun werking. Die materiaalgebonden impact blijft vandaag opvallend onderbelicht.
Het ontginnen van grondstoffen, de productie van componenten, het transporteren en het installeren in een gebouwd en de afvoer van de installatie na gebruik brengt immers ook milieukosten mee, uitgedrukt in de zogeheten materiaalgebonden uitstoot of embodied carbon van de installatie. Als we echt iets willen doen aan de klimaatverstoring, moeten we niet enkel rekening houden met het energieverbruik van installaties, maar ook met de gevolgen van de productie- en afvalfase.
Vanaf 2028 wordt de berekening van deze gecombineerde impact in het kader van de Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) verplicht voor gebouwen groter dan 1.000 m². In Nederland gebeurt dat al langer via de zogeheten MilieuPrestatie Gebouwen (MPG), een indicator die de milieubelasting van een gebouw uitdrukt. In België nog niet, maar TOTEM wordt er wel steeds meer gebruikt. Beide instrumenten berekenen op basis van een levenscyclusanalyse of LCA van de verschillende materialen de milieukosten voor de volledige levensduur van een gebouw – doorgaans vijftig of zestig jaar. Voor een aantal materialen zoals die voor gevelafwerking of isolatie zijn hiervoor voldoende gegevens beschikbaar, zodat een gefundeerde keuze voor een bepaalde opbouw gemaakt kan worden. De beschikbare data voor installaties zijn echter zeer summier. Daardoor is het zeer moeilijk om een ontwerp daarop te sturen. Daar ligt dus nog een uitdaging voor de fabrikanten; ze zullen niet enkel componenten moeten produceren met een zo laag mogelijke milieukost, ze zullen ook moeten investeren in onderbouwde milieudata zodat we hun producten kunnen vergelijken met die van hun concurrenten.
Om het nog een beetje complexer te maken, houden we best ook rekening met de circulariteit van de installaties. Het berekenen en sturen op milieu-impact is immers één ding, het maximaliseren van de aanpasbaarheid en het hergebruik van een installatie is nog iets anders en minstens even belangrijk. Voor elk onderdeel dat opnieuw gebruikt wordt, hoeft er geen nieuw geproduceerd te worden.
Veel onderdelen van technische installaties hebben, vergeleken met hoe lang een gebouw meegaat, een beperkte levensduur. Toch wordt er bij het ontwerp van een gebouw slechts beperkt rekening gehouden met het vervangen of aanpassen van deze installaties. Als gevolg daarvan zijn leidingen, kabels en kanalen dikwijls niet te demonteren zonder die, samen met alle wanden, vloeren of plafonds waar ze doorheen lopen, tot afval te herleiden. We moeten dus anders gaan ontwerpen en rekening houden met demontage. Dat leidt onherroepelijk tot het gebruik van andere materialen en verbindingstechnieken. Beide zijn er dikwijls op gericht om de installatietijd zoveel mogelijk te beperken, terwijl het net de materiaal- en milieukost is die we nu en in de toekomst zullen moeten verlagen. Afval is verloren grondstof. Nieuwe grondstoffen ontginnen en nieuwe producten maken betekent weer veel milieuschade. En voor beide zijn we bovendien sterk afhankelijk van andere landen. Een afhankelijkheid die we, in het licht van mijn inleiding, zo veel mogelijk willen beperken.
Toon Possemiers
algemeen directeur abt be
CSO Oosterhoff