We ontwerpen steeds performantere installaties: warmtepompen met indrukwekkende zogeheten COP’s, ventilatiesystemen met warmterecuperatie, hydraulisch uitgebalanceerde afgiftesystemen, slimme gebouwbeheersystemen die alles aansturen … Installaties falen tegenwoordig dan ook nog zelden door fundamentele fouten in het ontwerp. Problemen zijn vaak te wijten aan gebrek aan onderhoud. Daarom is het belangrijk nog eens te benadrukken dat installatietechniek niet stopt bij de inregeling bij oplevering; opvolging blijft essentieel.
Wie een installatie ontwerpt, focust in eerste instantie op rendement, comfort en conformiteit. Onderhoud zou ook altijd een expliciete ontwerpparameter moeten zijn, maar is dat – om het nog zacht uit te drukken – zeker niet altijd. Het resultaat is dat de componenten van een installatie vaak verdwijnen achter plafonds of in schachten op zo’n manier dat ze slechts bereikbaar zijn na demontage van een of meerdere panelen. Of dat duidelijke labeling op bijvoorbeeld afsluiters ontbreekt. ‘Onderhoud, dat zijn zorgen voor later’, lijkt het credo soms te luiden. Klopt natuurlijk, maar er moet wél al op worden geanticipeerd bij het ontwerp en de plaatsing van een installatie én het moet wel gebeuren.
Twee voorwaarden die overigens niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Immers, zelfs al is er een concreet onderhoudsplan, dan nog is dat geen garantie dat het onderhoud ook effectief gebeurt. Dat kan liggen aan een onachtzame gebruiker – een gasboiler moet bijvoorbeeld om de twee jaar worden gekeurd, maar het is, zeker in de particuliere markt, wel aan de gebruiker om daarvoor een afspraak vast te leggen. Maar ook andere prioriteiten bij de installateur kunnen de oorzaak zijn. Een onderhoudsbeurt is immers een tijdrovende ingreep die doorgaans een pak minder opbrengt dan het plaatsen van een nieuwe installatie. Een ingreep die er ook nog eens voor zorgt dat installaties minder snel vernieuwd moeten worden – de installateur op dat vlak verdenken van een verdoken agenda, gaat echter een brug te ver.
Wat zeker niet helpt: installaties die niet of nauwelijks onderhouden worden, degraderen niet spectaculair en vaak niet zichtbaar. Denk aan warmtewisselaars die gaandeweg vervuild geraken, debieten die verschuiven of sensoren die nauwkeurigheid verliezen. Daardoor dringt onderhoud zich vaak ook gewoon niet op.
En als het toch gebeurt, is het ook niet duidelijk of het goed gedaan is. Een voorbeeld: wanneer een onderhoudstechnieker regelstrategieën aanpast na klachten – op het vlak van energieverbruik of comfort bijvoorbeeld – zonder herkalibratie van het geheel, dan heeft de gebruiker het idee dat zijn installatie weer voor enkele jaren verder kan. Het systeem functioneert weer, maar het optimale werkpunt zal verschuiven, meestal zonder dat de gebruiker het in de gaten heeft.

Maar wettelijke keuringen ondergraven toch al het bovenstaande, horen we u al denken. In theorie garanderen die inderdaad een minimale kwaliteit. In de praktijk echter, bewaken ze vooral veiligheid en basisfunctionaliteit. Ze verzekeren geen optimale werking. Een ventilatiesysteem kan volledig conform zijn en toch onderpresteren door vervuilde kanalen of slecht afgeregelde debieten. Een warmtepomp kan technisch correct functioneren terwijl haar rendement onder druk staat door foutieve instellingen of gewijzigde gebruikspatronen. De regelgeving definieert met andere woorden een ondergrens. Een installatie blijvend optimaal laten presteren, vraagt meer.
En onderhoudscontracten dan, elimineren die vergeten of halfslachtig onderhoud niet, horen we u óók denken. Helaas ook niet altijd. Wat daarin werd vastgelegd, is ook vaak een absoluut minimum.

Onderhoud wordt zo gereduceerd tot interventie bij storing: een defect onderdeel wordt vervangen, een alarm gereset … Structurele optimalisatie blijft uit. Preventieve opvolging, herinregeling op basis van reëel gebruik, evaluatie van prestaties ten opzichte van ontwerpwaarden …: het vraagt een andere mindset. ❯
Te verstaan: de oplevering zou duidelijker het begin van de exploitatie moeten markeren. Dat moment geldt – we vallen in herhaling – nog te vaak als eindpunt van het proces: documentatie wordt overgedragen, instellingen worden toegelicht, een korte rondgang volgt. Daarna verschuift de aandacht naar het volgende project. Maar zonder duidelijke prestatie-indicatoren, zonder afgesproken evaluatiemomenten, zonder overdracht van technische parameters die begrijpelijk zijn voor gebouwbeheerders, blijft de installatie op zichzelf aangewezen.

Zeker vanuit het standpunt van de opdrachtgever van een project is het echt wel opvallend dat onderhoud zelden een volwaardig deel uitmaakt van de projectlogica. Investeringskosten worden doorgerekend tot op de euro, rendementen geoptimaliseerd, maar de vraag hoe een installatie over tien jaar nog presteert, blijft vaak impliciet. Terwijl net daar het verschil wordt gemaakt.
Samengevat: in installatieprojecten zou de blik verschoven moeten worden van componentniveau naar langetermijnprestaties. De kwaliteit van een installatie toont zich niet op het moment van inregeling, maar in haar gedrag na vijf of tien jaar gebruik. Wie dat axioma onderkent, kan onderhoud niet langer als bijzaak behandelen.