Hoewel de warmtepomp al jaren wordt beschouwd als technologisch rijp, breed inzetbaar en cruciaal voor de energietransitie, bleef een volledige doorbraak in België tot nu toe uit. Uit de meest recente cijfers blijkt dat in 2024 zo’n 3,6% van de Vlaamse huishoudens een warmtepomp als hoofdverwarmingswijze had – voor Wallonië is dergelijke statistiek niet beschikbaar. De oorzaak daarvan is dus niet een gebrek aan vertrouwen in de techniek, maar wel het ontbreken van het juiste economische kader. Het Belgische begrotingsakkoord dat premier Bart De Wever midden november aankondigde, lijkt daar fundamenteel verandering in te brengen. Vlaanderen en Wallonië bepalen wel elk op hun manier hoe snel de warmtepomp uitgroeit van alternatief tot norm.
De discussie over warmtepompen, cruciale technologie om de uitstoot door het verwarmen en koelen van gebouwen structureel te verminderen, was in Vlaanderen – waar we in dit artikel op focussen – zelden technisch. De performantie staat buiten kijf: moderne lucht-lucht-, lucht-water- en geothermische warmtepompsystemen leveren stabiele warmte, werken steeds vaker met natuurlijke koudemiddelen en integreren probleemloos met lage-temperatuurafgiftesystemen. De echte rem zat elders.
Onder meer in de verhouding tussen elektriciteits- en gasprijzen. Netstroom – die vandaag overigens nog niet voor de volle 100% op basis van hernieuwbare bronnen wordt geproduceerd – kost op heden in België zo’n 3,7 keer meer dan gas – dat is ongunstiger dan in veel buurlanden, waar die ratio ongeveer 2 is. Voor gezinnen zonder zonnepanelen maakt dat elektrisch verwarmen niet vanzelfsprekend goedkoper dan fossiel verwarmen; zelfs bij de keuze voor een warmtepomp met een hoge zogeheten COP – die aangeeft hoe efficiënt een warmtepomp werkt, hoe hoger, hoe beter – valt de elektriciteitsfactuur vandaag duurder dan de factuur verbonden aan verwarmen op gas of stookolie. Zeker in bestaande woningen, waar de hogere warmtevraag de businesscase van de warmtepomp helemáál fnuikt.
Dat probleem erkent het Belgische begrotingsakkoord impliciet, met een aangekondigde verlaging van accijnzen op elektriciteit en de verhoging van accijnzen op gas – met behoud van sociale beschermingsmaatregelen om te voorkomen dat kwetsbare gezinnen uit de boot vallen. Die zullen er volgens energie-expert Ruben Baetens van de KU Leuven voor zorgen dat de prijsverhouding tussen elektriciteit en aardgas de komende jaren zal zakken, naar ongeveer 2,6 in 2029. Daarmee komt ze voor het eerst in een zone waarin warmtepompen economisch logisch worden voor de meerderheid van de woningen. Climafed, al jaren pleitbezorger van die evolutie, spreekt dan ook van “een belangrijke en betekenisvolle stap in een lang traject richting elektrificatie”.
Zeker ook omwille van het karakter van de federale begroting. Anders dan gebruikelijk in België, is deze begroting geen klassieke jaaroefening, maar een meerjarenplan dat de volledige legislatuur overspant. Dat maakt het akkoord uitzonderlijk stevig verankerd in de tijd. De warmtepomp wordt geen gok meer op toekomstige beleidswijzigingen, maar een logische stap binnen een voorspelbaar traject.
In Vlaanderen waren er natuurlijk ook al enkele maatregelen gericht op het structureel aantrekkelijker maken van elektriciteit als energiedrager, zoals onder meer de verplichte fossielvrije verwarming in nieuwbouw sinds 2025 en de geleidelijke afbouw van historische groenestroomcertificaten. Het federale begrotingsakkoord versterkt die bestaande Vlaamse beleidslijn.
Die Vlaamse beleidslijn kreeg recent trouwens een formelere structuur via het warmtepompcharter dat de Vlaamse Regering afsloot met de warmtepompsector. Dat charter is geen subsidieregeling, maar een wederzijds engagement: de overheid belooft een stabiel en voorspelbaar beleidskader voor warmtepompen, terwijl de sector zich engageert op het vlak van kwaliteit, opleiding en correcte toepassing van de technologie. Het doel is expliciet om de warmtepomp niet langer als nicheoplossing te behandelen, maar als volwaardig en schaalbaar alternatief voor fossiele verwarming, ook in renovatiecontext. Door die structurele afstemming tussen beleid en markt verkleint Vlaanderen de kloof tussen ambitie en uitvoering – een cruciale voorwaarde om de warmtepomp effectief van alternatief tot norm te laten doorgroeien.
De Belgische begroting voorzag ook in een btw-verlaging naar 6% voor de levering en plaatsing van warmtepompen. Die maatregel, die op 1 januari van dit jaar inging en al zeker tot en met 31 december 2030 geldt, verlaagt de instapdrempel om over te schakelen op de warmtepomp. Van 1 april 2022 tot en met 31 december 2024 gold overigens ook al tijdelijk een btw-tarief op de levering en plaatsing van warmtepompen. Dat was toen een crisismaatregel in het kader van de energiecrisis.
De lagere aankoopprijs van een warmtepomp waar de btw-verlaging voor zorgt, is vanzelfsprekend een mooie aanvulling op het goedkoper maken van de elektriciteitsprijs. Zo worden investering én gebruik van de warmtepomp financieel interessant(er).
Naast de aanpassing van accijnzen op gas en elektriciteit en de btw-verlaging, die het economische kantelpunt voor warmtepompen rechtstreeks beïnvloeden, zijn er nog enkele begrotingsgerelateerde hefbomen die minder zichtbaar zijn, maar op middellange termijn wel degelijk de populariteit van warmtepompen verder kunnen versterken. Zo zet het federale akkoord ook aan tot een verdere hervorming van de nettarieven, met meer aandacht voor kostreflectie en piekbelasting, wat goed ontworpen en slim aangestuurde warmtepompsystemen in de kaart speelt. Daarnaast creëert de begroting budgettaire continuïteit voor renovatiebeleid en energiefinanciering, wat indirect maar wezenlijk bijdraagt aan de warmtepompklaarheid van het bestaande gebouwenpark. Tot slot geven investeringen in de verduurzaming van federale gebouwen en publieke infrastructuur de warmtepompmarkt extra schaal en zekerheid. Grootschalige publieke projecten versnellen standaardisering, drukken kosten en versterken het vertrouwen bij fabrikanten, installateurs en eindgebruikers.

Niet alleen België, maar ook Europa draagt bij aan het creëren van het juiste kader voor de volledige doorbraak van warmtepompen in ons land. Het ETS2-systeem dat begin volgend jaar ingevoerd wordt (uitstel tot 2028 ligt wel op tafel, red.), zal fossiele energie immers structureel duurder maken. Daardoor kantelt het economische speelveld de komende jaren verder in het voordeel van elektrische verwarming.
Daarnaast zorgen ook ontwikkelingen in de warmtepompmarkt zelf ervoor dat de toepassing van de technologie eindelijk zal kunnen opschalen. Tot voor kort bleef de warmtepomp in Vlaanderen sterk geassocieerd met nieuwbouw, maar cijfers van Climafed en Frixis tonen aan dat lagetemperatuurradiatoren, monoblocsystemen met natuurlijke koudemiddelen zoals propaan (R290) en hybride of collectieve oplossingen het mogelijk maken om warmtepompen ook in bestaande woningen rendabel te maken.
Laat ons dan nog even de blik richten op Wallonië – onze lezers zijn niet alleen actief in Vlaanderen. Het Belgische begrotingsakkoord schept in principe hetzelfde economische kader voor warmtepompen in Wallonië als in Vlaanderen, omdat maatregelen rond accijnzen, btw en energieprijzen federaal gelden. Ook in Wallonië wordt elektrisch verwarmen daardoor stap voor stap aantrekkelijker.
Toch is een verschil. En dat zit in de beleidsvertaling: waar Vlaanderen de warmtepomp expliciet naar voren schuift als hefboom voor elektrificatie, kadert Wallonië ze vooral binnen een breder renovatiebeleid op lange termijn. De warmtepomp speelt er dus zeker een rol, maar de doorbraak verloopt minder uitgesproken en aan een ander tempo dan in Vlaanderen. Er mag dus verwacht worden dat de warmtepomp sneller gemeengoed zal zijn in Vlaanderen dan in het zuidelijke gewest.
Wat betekent een en ander nu juist voor de installateur? Wel, het Belgische begrotingsakkoord verandert vooral de aard van het gesprek tussen installateur en klant. Zolang elektriciteit structureel te duur was, draaide het debat vooral rond terugverdientijd en financiële risico’s. Nu die scheefgroei geleidelijk wordt rechtgezet, verschuift de focus naar de technische haalbaarheid: is de woning warmtepompklaar, welk afgiftesysteem is aangewezen, welke elektrische aanpassingen zijn nodig en waar liggen realistische comfortverwachtingen? Het begrotingsakkoord neemt niet alle drempels weg, maar het haalt wel de grootste blokkade uit het traject. Daardoor komt de expertise van de installateur opnieuw centraal te staan – niet als verkoper van een toestel, maar als ontwerper van een goed werkend verwarmingssysteem.
